◐ Shell
reader mode source ↗
Naar inhoud springen
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Deel van een serie artikelen over
Sterrenkunde
Het La Silla-observatorium in Chili
Het La Silla-observatorium in Chili
Algemeen

Heelal · Hemellichaam · Magnitude · Oerknal · Sterrenstelsel · Telescoop

Objecten en fenomenen

Donkere materie · Komeet · Maan · Nevel · Planeet · Quasar · Ster · Supernova · Zwart gat

Vakgebieden

Astrobiologie · Astrochemie · Astrofysica · Astrometrie · Kosmologie · Radioastronomie

Portaal  Portaalicoon   Astronomie

Een hemellichaam of astronomisch object is een voorwerp, een structuur of een samengesteld geheel dat van nature voorkomt in het waarneembare heelal.[1][2] In de sterrenkunde worden de termen object en lichaam vaak door elkaar gebruikt. Sommige hemellichamen zijn met het blote oog te zien, voor andere zijn meer of minder geavanceerde telescopen nodig.

Het heelal bevat uiteraard enorm veel objecten[3][4][5], onder meer de volgende.

In het zonnestelsel

[bewerken | brontekst bewerken]
  • de zon, de ster waar we alles aan danken: warmte, licht en het ontstaan van onze Aarde in een vaste baan om de zon.
  • de aarde
  • onze maan
  • los stof bij de Aarde in de Kordylewskiwolken
  • Planeten - In het zonnestelsel hebben we de acht klassieke planeten, waarvoor de namen uit de Griekse en Romeinse oudheid worden gebruikt. (In andere culturen zijn de planeten verbonden met andere, daar vereerde goden.) Pluto werd na zijn ontdekking in 1930 tot 2006 als de negende planeet beschouwd, maar onttroond omdat hij zijn baan rond de zon niet heeft gereinigd van andere, kleine hemellichamen.
  • Dwergplaneten
  • Planetoïden (asteroïden)
  • Manen van planeten, dwergplaneten, en planetoïden
  • Planetaire ringen
  • Meteoroïden
  • Kometen
  • De Oortwolk
  • Interstellaire objecten (als passant)

In het Melkwegstelsel

[bewerken | brontekst bewerken]

In ons eigen sterrenstelsel, de Melkweg, komen onder meer voor:

Buiten het Melkwegstelsel

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie ook Lijst van betekenissen van namen van hemellichamen voor een verklaring van niet-systematische benamingen.

Tegenwoordig heten de meeste hemellichamen naar

  1. hun catalogusnummer, bijvoorbeeld NGC 7000 of 3C 273,
  2. een code die de auteur(s)/ontdekker(s) aangeeft met een volgnummer, bijvoorbeeld Shapley 1 of SS 433, of
  3. een catalogusaanduiding met daarin de hemelcoördinaten van het object, bijvoorbeeld IRAS 17163-3907 of 2MASS J04414489+2301513.

In het verleden kregen hemellichamen namen van

  1. godheden, zoals de planeet Jupiter naar de Romeinse god Jupiter, maar ook van
  2. het sterrenbeelden waarin ze zich bevinden (zoals 61 Cygni, "61 van de Zwaan", de ster nummer 61 in het sterrenbeeld Zwaan), van
  3. beroemde mensen (zoals de Magelhaense wolken, naar ontdekkingsreiziger Ferdinand Magellaan) of van
  4. degene die ze ontdekt of intensief bestudeerd heeft (zoals de Ster van Barnard, naar de sterrenkundige Edward Emerson Barnard).

In de afgelopen eeuwen zijn regels afgesproken om hemellichamen systematisch een naam te geven.

Voor manen worden Romeinse cijfers gebruikt. Dit gebruik ontstond in 1610 toen de Italiaanse astronoom Galileo Galileï vier manen van Jupiter ontdekte, die hij Jupiter I, II, III en IV noemde. De Duitse astronoom Simon Marius ontdekte de manen rond dezelfde tijd, maar publiceerde er pas in 1614 over, waarbij hij ze volgens voorstel van Johannes Kepler de namen van vier geliefden van Zeus uit de Griekse mythologie gaf, de Griekse tegenhanger van de Romeinse god Jupiter. Hiermee ontstond de conventie om de planeten naar Romeinse goden te vernoemen, maar hun manen naar Griekse mythologische wezens.

De zesde maan van Saturnus werd ontdekt door Christiaan Huygens in 1655 en in 1847 door John Herschel omgedoopt tot Titan. Deze werd geclassificeerd als Saturnus VI.

Voor de helderste sterren wordt de Bayer-aanduiding gebruikt, opgesteld in 1603. Deze bestaat uit een letter van het Griekse alfabet (zoals alfa (α), bèta (β), en gamma (γ)), gevolgd door de genitief van de Latijnse naam van het sterrenbeeld waar de ster deel van uitmaakt (bijvoorbeeld Aldebaran in het sterrenbeeld Stier (Taurus) is α Tauri (alfa Tauri of alpha Tauri)). Het sterrenbeeld kan daarbij afgekort worden tot drie letters (bijvoorbeeld: Tau is "Tauri"). De sterren binnen het sterrenbeeld werden meestal in volgorde van helderheid benoemd, te beginnen met alfa voor de helderste, zoals Aldebaran, maar dit was niet altijd het geval.

Dubbelsterren

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1650 werd het bestaan van ontdekt door de ster (, de zesde helderste ster in het sterrenbeeld ), die werd begeleid door (later bleken dit in totaal zes sterren te zijn). Om de twee sterren (componenten) van een dubbelster te onderscheiden, wordt een hoofdletter gebruikt. Dit is belangrijk omdat een kleine letter een aanduidt. Bijvoorbeeld bij , waarbij de helderste component A wordt genoemd (Alpha Centauri A/α Centauri A) en de zwakste B (Alpha Centauri B/α Centauri B) en het geheel AB (Alpha Centauri AB/α Centauri AB). Bij een meervoudige ster met meer dan twee componenten gaat men verder met C, D enzovoort. Zo bleek in 1915 dat Alpha Centauri nog een derde ster bezat, , en het dus eigenlijk een drievoudige ster is. Proxima Centauri wordt daarom als Alpha Centauri C/α Centauri C geclassificeerd.